Restaurant Apollo in Hardinxveld

Wat bezielt iemand om ruim een jaar lang meerdere keren in de week af te reizen naar de verste uithoeken van het land om daar de plaatselijke Chinees-Indische restaurants te fotograferen? Het is de vraag die mij de afgelopen maanden, sinds het verschijnen van het fotoboek ‘Chin. Ind. Spec. Rest.’, het meest is gesteld. En het is een zeer gerechtvaardigde vraag, eentje die ik mezelf ook geregeld stelde als ik weer eens in de auto zat op weg naar oorden als Vlagtwedde, Ospel of Sas van Gent.

En een antwoord op die vraag is ook niet eenduidig te geven. Het begon ermee dat ik als verslaggever voor de regionale zender RTV Noord-Holland kriskras door de provincie trok, op zoek naar mooie verhalen. Het viel me daarbij op dat in veel dorpen – naast een kerk, een kroeg en een filiaal van de Blokker – nog altijd een Chinees restaurant te vinden is. En dan meestal in een niet al te florissant pand: met een gevel die wel weer eens een lik verf kan gebruiken, plakplastic op de ramen dat door de zon is verweerd en lichtbakken die vaker wel dan niet scheef aan de gevel hangen. Als liefhebber van treurnis en verval begon ik er foto’s van te maken en plaatste deze op mijn twitteraccount. Daar kwamen zoveel reacties op dat ik, om de mensen te plezieren, rustig tientallen kilometers omreed om een nieuw exemplaar te fotograferen.

Restaurant China Garden in Nijmegen

Hang naar nostalgie

Blijkbaar was ik dus niet de enige die de schoonheid van deze ietwat dof geworden pareltjes in zag. Maar het is zeker niet alleen de aandoenlijke lelijkheid die mij en vele anderen zo aanspreekt, een heerlijke hang naar nostalgie speelt zo mogelijk een nog grotere rol. Want welke Nederlander is er nou niet opgegroeid met de (afhaal)Chinees? Ik ben een kind van de jaren tachtig en als mijn ouders iets te vieren hadden, meestal eigenlijk alleen maar hun huwelijksdag, gingen we met het hele gezin naar de Chinees. Het ene jaar naar Chin. Ind. Rest. De Oude Prins in Bergen en het andere jaar naar Chin. Ind. Rest. Peking in Warmenhuizen. En eigenlijk maakte het niet eens zoveel uit in welk restaurant je zat, want het kwam vaak op hetzelfde neer. Op de (soms ook echt identieke) menukaarten stonden overal dezelfde gerechten als bami pangang, foe yong hai en nasi goreng. En ook de inrichting was inwisselbaar: een systeemplafond met messing groeven, een aquarium, een rood versleten vloerkleed en stoelen met bekleding in pasteltinten. Beeldjes van zwaaiende katten en Chinese wijsgeren staarden de bezoeker aan en de muziek bestond uit synthesizerversies van oude hits.

Restaurant Peking in Warmenhuizen

Maar wat was het altijd een feest om er te zijn. En dit is niet alleen mijn jeugd geweest, hele generaties maakten met enige regelmaat de gang naar de plaatselijke Chinees. Al was het alleen maar omdat er in de meeste dorpen en steden nog nauwelijks concurrentie was van andere ‘exotische’ keukens. En exotisch staat hier tussen aanhalingstekens, want de Chinees-Indische keuken is natuurlijk zo Hollands als het maar kan zijn. Oh, wat waren ze slim, die Chinese restauranthouders die aan het begin van de jaren vijftig ook Indische gerechten op de kaart zetten. De massaal uit Indië teruggekeerde Nederlanders verlangden naar de Indische keuken en de Chinese restaurants sprongen daar handig op in. Al werden de gerechten wel aangepast (minder scherp) aan de Nederlandse smaak om ook de rest van de bevolking aan te spreken. Het werkte en het Chinese restaurant maakte een schier onstuitbare opmars door het land.

De Chinees-Indische restaurants uit mijn jeugd bestaan nog tot op de dag van vandaag en dat mag bijzonder heten. De hoogtijdagen van de Chinees liggen namelijk ver achter ons, van de bijna 2000 restaurants in de jaren tachtig zijn er nu nog zo’n 1100 over. Oorzaken: de concurrentie is enorm toegenomen, de kinderen van de restauranthouders die nu massaal met pensioen gaan willen de zaak niet overnemen en het imago is ook niet zo goed meer. De Nederlander lijkt uitgekeken op de Chinees. En dat is natuurlijk ontzettend zonde.

Restaurant Danny Leung in Medemblik

Kloek boekwerk als resultaat

Het was mijn buurvrouw, grafisch ontwerper Yolanda Huntelaar, die voorzichtig polste of ik er wat voor voelde om een fotoboek te maken over de nog bestaande Chinees-Indische restaurants. Dit voordat het te laat zou zijn, maar ook als eerbetoon aan een typisch Nederlands fenomeen. De keuze was niet moeilijk en ik stortte me met hart en ziel op dit enorme project. Om het af te bakenen, werd besloten alleen Chinees-Indische restaurants te fotograferen en al die moderne Chinese restaurants en (Chinees-Japanse) wokrestaurants buiten beschouwing te laten. Op Google Maps zocht ik bij elke plaats op ‘Chinees-Indisch restaurant’ en dat leverde een lange lijst van ongeveer 1100 te bezoeken restaurants op. Aanvankelijk was het plan om ook de interieurs te fotograferen waarbij het me dan wel zo keurig leek om de eigenaar om toestemming te vragen, maar dat bleek veelal een heilloze missie. Ze begrepen niet waarom iemand een foto van hun restaurant zou willen maken, dus die toestemming liet ik verder achterwege en fotografeerde alleen de buitenkanten. Een stuk of tien per dag als het een goede dag was.

Afijn, dat leverde uiteindelijk een kloek boekwerk op met daarin de foto’s van 1097 Chinees-Indische restaurants. Enige media-aandacht voor het boek had ik wel verwacht, al zou het alleen maar zijn omdat een dergelijk project gekkenwerk is, maar het overweldigende aantal interviewaanvragen en reacties uit het land is verbazingwekkend. Het Chinees-Indisch restaurant raakt bij veel Nederlanders dus nog altijd een gevoelige snaar. Het zou mooi zijn als al die mensen nu ook weer op een mooie zondagavond hun portie bami met saté en koe lo yuk (met kroepoek en sambal erbij) gaan afhalen bij de Chinees om de hoek. Dan hoeft dit Nederlandse cultuurerfgoed niet definitief uit het straatbeeld te verdwijnen.

Restaurant New Chung Feng in Middelburg