In onze tot dorp geworden wereld lijkt geen ruimte te bestaan voor surrealisme. Per seconde komt de harde realiteit van wat er gebeurt, waar dan ook, via social media tot ons, Dacht ik altijd dat Latijns Amerika de enige plek is waar surrealisme tot het eind der tijden stand zal houden, nu weet ik beter: surrealisme is niet minder dan het leidmotief als je kijkt naar de betrekkingen tussen Afrika en China.

Vredesprijs voor Mugabe

Want hoe anders dan ‘surrealistisch’ kunnen we het noemen dat Mugabe, al bijna dertig jaar alleenheerser in Zimbabwe, eind vorige maand de Confucius Vredesprijs kreeg uitgereikt. De motivatie voor de toekenning van de zogenaamde ‘Chinese Nobelprijs voor de Vrede’ luidde als volgt: “Mugabe heeft tal van moeilijkheden overwonnen en zich persoonlijk sterk gemaakt voor het bevorderen van de rechtstaat en economische groei in zijn eigen land. Daarnaast heeft hij de Afrikaanse cultuur positief uitgedragen.”

Deze omschrijving staat los van elke realiteitszin als je bedenkt dat het hier gaat om dezelfde Mugabe die, door etnische zuiveringen,  de dood van tientallen duizenden mensen op zijn geweten heeft en LGTBI’s “erger dan honden en varkens” noemt. Aanvankelijk was Mugabe verguld met de toekenning, maar toen hij hoorde dat de Chinese regering geen rol speelt in het selectieproces – het comité is zelfs niet gevestigd in  mainland China maar in Hong Kong-, zag hij af van het in ontvangst nemen van de prijs.

‘Bekvechtende landjes’

Dat comité is een lachertje, zou je denken, maar toch ben ik door de motivatie achter de instelling van deze vredesprijs in 2010 aan het denken gezet. De Nobelprijs voor de Vrede zou dat jaar gaan naar de Chinese dissident Liu Xiaobo. De toenmalige voorzitter van het comité, Tan Changliu, verklaarde vervolgens dat het noodzakelijk was de wereldvrede te bevorderen vanuit een Oosters perspectief, gestoeld op de leer van Confucius. “Europa”, zei hij, “zit vol met kleine bekvechtende landjes. Wij willen niet dat mensen die vrede niet begrijpen, het concept ruineren”.

Er valt natuurlijk van alles te zeggen over China, vrede en mensenrechten, maar daar wil ik het nu niet over hebben. Wat mij triggerde in deze uitspraak was de kritiek op Europa, de verdeeldheid van achtentwintig bekvechtende landjes. Die hoor ik hier namelijk vaker, ten tijde van de monetaire crisis en ook nu. De onmacht en verdeeldheid die Europa ten toon spreidt in de niet-aanpak van de migrantencrisis, leidt ertoe dat er hier in China in toenemende mate met scepsis en soms zelfs met een zekere meewarigheid over Europa gesproken wordt.

The new kid in town

Al eerder was daar dat beeld van China dat begrijpt waar het om gaat, terwijl Europa de plank volledig mis slaat. Toen ging het over internationale samenwerking, begin deze eeuw; China ging een steeds belangrijker rol spelen in Afrika. De aanwezigheid en aanpak van deze new kid in town werd door veel Afrikanen als een verademing ervaren. Niet alleen omdat er geen opgeheven vingertje aan te pas kwam, zoals men dat gewend was van Europese landen. Er werden om te beginnen geen eisen op tafel gelegd over goed bestuur of mensenrechten maar daar bleef het niet bij. In ruil voor grote hoeveelheden grondstoffen, deed China waar men echt behoefte aan had: het opzetten van infrastructurele projecten. Wegen, stadions, ziekenhuizen, havens, werden in no time uit de grond gestampt. Europa stond erbij, keek ernaar en riep verongelijkt dat dit een nieuwe vorm van kolonialisme was (en daar weet Europa van mee te praten). Het ging China er immers niet om, Afrika vooruit te helpen. Puur eigenbelang en de niet te stillen honger naar grondstoffen waren motieven voor deze betrekkingen.

Hand in eigen boezem

Dat kan wel waar zijn, maar het is niet de hele realiteit. Om te beginnen weten we niet waar we het over hebben. China maakt namelijk geen ‘hulp’-cijfers bekend, of het nu gaat om aantallen malariaklinieken die men in Afrika zou hebben neergezet, of om de hoogte van Chinese investeringen in Afrika: er zijn geen betrouwbare gegevens.

Daarnaast moeten westerse landen ook naar zichzelf kijken. Want China is niet het enige land dat ‘hulp’ biedt met eigen belang in het achterhoofd. Rapporten, van onder meer Human Rights Watch, maken duidelijk dat westers ‘hulp geld’ gebruikt werd om dissidenten of politieke tegenstanders te onderdrukken, bijvoorbeeld in Ethiopië. En terwijl de Wereldbank en het IMF leningen uitsluitend verstrekken op voorwaarde dat goed bestuur bevorderd wordt, zijn er talloze commerciële banken die daar niet moeilijk over doen bij het uitschrijven van leningen. Om nog maar te zwijgen van de winst die internationale bedrijven opstrijken door ongegeneerd belastingen in Afrika te ontduiken.

Wat is hier de (sur)realiteit?

Hoe kritisch men ook kan en moet zijn op de rol die China in Afrika speelt – dat doen de steeds zelfbewustere Afrikanen meer en meer – één onmiskenbaar voordeel heeft de aanwezigheid van China Afrika wel opgeleverd: zowel tegen Chinese als tegen westerse donoren kan men zeggen: “U bent niet onze enige vriend”.

Want bij het zien van een economisch groeiend Afrika, zal noch China, noch Europa genoegen nemen met een rol als toeschouwer. Maar of het de bedoeling is dat de realiteit ons aanzet tot wegkijken is vraag twee. Het verdient in ieder geval geen schoonheidsprijs.