De politieke opkomst van China is een feit. November 2014 zou weleens de geschiedenis in kunnen gaan als de maand waarin een nieuwe politieke wereldorde zichtbaar werd. Kenden we China al langer als economisch zwaargewicht,  afgelopen maand november werd duidelijk gemaakt dat China ook politiek een hoofdrol wenst te spelen.

De wereldwijde economische macht van China staat buiten kijf. Zo is in Afrika te zien hoe talloze infrastructurele projecten binnen no time uit de grond gestampt worden door Chinezen. Wèl in ruil voor felbegeerde grondstoffen en zonder veel werkgelegenheid te bieden aan de lokale bevolking. Hetzelfde merken we in Suriname en Latijns Amerika. Volgens de IDB (Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank) zijn Chinese leningen van levensbelang voor landen, als Venezuela en Ecuador.

Amazon Watch publiceerde niet lang geleden dat China in meer dan 60% van de financiële behoeften van Ecuador voorziet en in ruil daarvoor bijna 90% van de Ecuadoriaanse olievoorraden krijgt. Los van dergelijke bilaterale overeenkomsten heeft China in Latijns Amerika meer leningen uitstaan dan de Wereldbank, de IDB en de US Export-Import bank bij elkaar.

Gastheer en heersende gast

Maar sinds november 2014 kunnen we ook niet meer om China als politieke speler heen. Dat werd volstrekt duidelijk tijdens de verschillende ‘toppen’ die de afgelopen weken, niet geheel toevallig allemaal hier op het oostelijk halfrond,  plaatsvonden.

Het begon met de APEC (Asia-Pacific Economic Cooperation) in Beijing, gevolgd door ASEAN (Association of South East Asian Nations) in Myanmar en eindigde met  de G20 in Brisbane, Australië.  Xi Jinping  was gastheer en heersende gast. Hij kreeg tijdens APEC de handen van de 22 aanwezige wereldleiders op elkaar voor een ongekend, ambitieus vrijhandelsakkoord voor de Pacific regio en sloot vervolgens een overeenkomst over klimaatverandering waarbij China zich voor het eerst committeerde aan concrete doelen en resultaten (het belangrijkste aan deze deal: China profileerde zich als een ‘responsible stakeholder’).

Tot slot tekende hij tijdens de G20 samen met Abbott, de premier van Australië, een bilateraal vrij handelsakkoord waarmee een periode van meer dan tien jaar onderhandelen tot een (voor China) buitengewoon gunstig einde kwam.

Het waren vooral de houding en stijl van Xi Jinping die opvielen en die, naar mijn idee, duidelijk maken dat China deze toppen aangreep om zich als politieke wereldmacht te presenteren.

Over de vraag wat de politieke opkomst van China betekent voor de rest van de wereld, mag men zich in de toekomst wel wat serieuzer buigen. Ik bedoel nadrukkelijk niet dat we met het gebruikelijke gevoel van angst naar de opkomst van China moeten kijken,  juist niet! Het zou verstandig zijn met een open vizier en vanuit een pragmatisch perspectief te bezien hoe van deze onstuitbare opkomst een win-win situatie te maken is.

Verwonderlijk

Bij het zoeken naar aanknopingspunten om deze win-win situatie te bewerkstelligen, hebben twee gebeurtenissen in deze zelfde novembermaand mij aan het denken gezet. De Umbrella-movement, paraplubeweging,  in mijn woonplaats Hong Kong en de gemeenteraadsverkiezingen die op 19 november in Nederland gehouden werden in de gemeenten die betrokken zijn bij een herindelingsprocedure.

De paraplubeweging,  die met bezetting van cruciale delen van Hong Kong gepaard gaat, wil behoud van democratische waarden en burgerrechten voor de stad. Wat die waarden en rechten zijn, daarover verschilt men van mening. Hier in Hong Kong onderling, maar natuurlijk ook met China, dat is niet zo verwonderlijk. Wat echter wel verwonderlijk is: er wordt niet gepraat. De cultuur van het politieke debat is nauwelijks ontwikkeld, er is geen gewoonte om met elkaar op politieke punten diepgaand in gesprek te gaan. Men heeft er de ‘taal’ niet voor. De regering in Hong Kong mijdt gesprekken met de leiders van de studentenbeweging. In bijna acht weken tijd, heeft er welgeteld één ontmoeting plaatsgevonden. In China is een probleem een kwestie voor achter gesloten deuren die met een verordening van bovenaf wordt ‘opgelost’. Zelfs als vrijheid om het te bespreken wel geboden wordt, zoals in Hong Kong.

De cultuur van het gesprek of debat, om maar te zwijgen van een poldercultuur, is een onbekend fenomeen. Onlangs hoorde ik op een bijeenkomst van het Europees bedrijfsleven in Hong Kong, dat men in Europa graag Chinese werknemers wil aantrekken. Maar om die succesvol te laten solliciteren op banen in Berlijn, Parijs of Amsterdam, moeten de kandidaten langdurig getraind worden in praten, leren zeggen wat ze denken en assertief worden. Dit is wel iets om in het achterhoofd te houden bij de zoektocht naar pragmatische manieren om met China om te gaan.

 

Dijken, polders en grenzen

De verkiezingen bij de herindelingsgemeenten van 19 november,  laten een overwinning zien van de lokale partijen. Nog afgezien van de politieke implicaties en signalen hiervan, valt deze uitkomst te duiden als een doorzettende trend dat men vooral vertrouwen geeft aan het eigene, aan dat wat dichtbij en bekend is.

Het biedt een interessant beeld. Aan de ene kant zien we een globaliserende wereld, met veranderende afhankelijkheden. Een krachtenspel waarin onvermijdelijk het politieke debat ook gevoerd moet worden met een land als China. Aan de andere kant in Nederland en –breder-  in Europa, wordt de opkomst zichtbaar van allerlei bewegingen die dat wat van buiten komt, als bedreigend zien. Men trekt zich het liefst terug achter de dijken, duinen of grenzen.

Valt daar nog een win-win situatie van tePolitiek China maken? Ik ben er van overtuigd. Niet door ons introvert blind te staren op die dijken maar juist door de Nederlandse poldercultuur slim en dienstbaar in te zetten.

Zo speelt ieder zijn rol op het wereldtoneel.