Ik hoor nog altijd clichés over China, ook van de Chinezen zelf. Zo zouden Chinezen niet creatief zijn, zou economische groei vooral voortkomen uit het grootschalig kopiëren van wat elders verzonnen is, en zou China de wereld overspoelen met slechte producten die veel te goedkoop zijn omdat milieuregelgeving, intellectueel eigendom en mensenrechten met voeten getreden worden.

Wijsheden die twintig jaar geleden wellicht een kern van waarheid bevatten, zijn in de context van een land dat zich zo snel en krachtig ontwikkelt natuurlijk allang geen wijsheid meer. In toenemende mate heb ik het idee dat economische drivers van het 21e eeuwse kapitalisme juist in China, en vooral in de grote Chinese steden, een minstens even krachtig platform vinden als in westerse samenlevingen.

Transformatie naar nieuw tijdperk

Het afgelopen decennium is het debat over de economie en economische geografie in de westerse wereld geïnspireerd door sleutelauteurs Richard Florida “The rise of the Creative class” en Edward Gleaser “the Triumph of the City”, over het groeiende verschil tussen kleine kwijnende stadjes en grote succesvolle steden in de context van de (digitale) diensten economie. Beide auteurs (ook vaak in China geciteerd) trachten vanuit een Amerikaans perspectief te duiden hoe leven, werken en wonen van mensen en bedrijven transformeert in de overgang van het industriële tijdperk naar de informatie samenleving, en welke nieuwe leefstijlen voorkeuren en vestigingsfactoren het gevolg zijn van deze transformatie.

In de zoektocht naar modellen en denkwijzen die kunnen helpen bij het begrijpen van de (stedelijke) samenleving, vertellen naast de Amerikanen ook Franse sociale wetenschappers zoals Francois Asscher en Yann Moulier Boutang een heel goed verhaal. Beiden analyseren in de Marxistische traditie de werkelijkheid van leven, waar sociale klasse en de verdeling van kapitaal en productiemiddelen de randvoorwaarden bepalen voor het verloop van de geschiedenis. In hun analyse is het kapitalisme geëvolueerd van het koopmans-kapitalisme (denk aan het Amsterdam van de 17e eeuw) via het industriële-kapitalisme (denk aan het Engeland van de 19e eeuw), naar het cognitieve-kapitalisme, dat zeker na de economische crisis van 2008 en de alomtegenwoordigheid van het internet een ijzeren greep heeft gekregen op de mondiale economische dynamiek aan het begin van de 21e eeuw.

China goed uitgerust voor cognitief kapitalisme

Cognitief kapitalisme is de situatie waarin productiekracht is vervangen door inventiekracht, fysieke arbeid door cognitieve arbeid en waar cognitief kapitaal minstens zo belangrijk is als financieel kapitaal. Voor de meeste bedrijven geldt dat de cognitieve productiekracht in toenemende mate doorslaggevend is. Zeker in een tijdperk waarin innovatie en disruptie via de digitale snelweg op alle plekken in de wereld tegelijkertijd toe kunnen slaan. Fysieke productie blijft natuurlijk heel belangrijk, maar positioneert zich op een ander plek in de keten van waardeontwikkeling, en in toenemende mate ook op een ander geografische locatie.

In de overgang van het industriële naar het cognitieve kapitalisme zijn ook de voorkeuren voor wonen, werken en recreëren in grote mate aan verandering onderhevig. Waar in het industriële tijdperk infrastructuur en goedkoop land doorslaggevend waren voor bedrijfsvestiging, is dat in toenemende mate de aanwezigheid van een hoogopgeleide bevolkingsconcentratie. Volgens de sociale wetenschapper Mckenzie Wark is in de context van het cognitieve kapitalisme vooral het netwerk, waarin in korte tijd nieuwe kennisgroepen kunnen worden aangesproken belangrijk. Binnen het netwerk kunnen nieuwe verbanden worden gelegd en intellectuele kruisbestuiving leidt tot nieuw inzichten en ideeën. Dit type omgeving is het best aanwezig in hoog stedelijke metropolen met een grote (hoogopgeleide) bevolkingsomvang, goed multimodaal vervoer, excellente datanetwerken, een hoge dichtheid van bebouwing, een menging van stedelijke functies in beloop- en befietsbare contexten, en een grote hoeveelheid aantrekkelijke goed geïntegreerde stedelijke voorzieningen.

In deze zienswijze is het gek genoeg juist China, met zijn talloze goed georganiseerde megasteden, dat heel goed uitgerust lijkt te zijn voor de verdere opmars van het cognitieve kapitalisme. In het westerse deel van de wereld is de leefstijl meer sub-urbaan en zijn de steden overwegend te klein voor een goede samenballing van cognitieve slagkracht.

Wie zich dit goed realiseert is de Chinese premier Li Keqiang, die in zijn publieke uitingen de Chinese bevolking dagelijks voorhoudt dat het dividend van de vooruitgang minder en minder voort zal komen uit de demografie (goedkope jonge arbeidskrachten), de industrialisatie (goedkoop veel spullen produceren) maar meer en meer uit het cognitieve kapitaal (innovatie, disruptie en uitvindingskracht). Vervolgens benadrukt hij het belang van onderwijs, onderzoek en ondernemerschap in het kader van Made in China 2025 en kondigt de bijbehorende investeringen en beleidsprogramma’s aan. Je zou bijna wensen dat westerse politici zo’n helder verhaal konden houden.

Kanteling naar vooruitlopen op

Als inwoner van Shanghai en vanuit mijn werk als stadsplanner in China, zie ik dagelijks dat het begrip van de economische werkelijkheid in de hoogste regionen van het Chinese bestuur ook daadwerkelijk condenseert in de randvoorwaarden en uitgangsprincipes van stedelijke planvorming op het stedelijke en lokale schaalniveau. Kennisclustering, gemengde ontwikkeling in hoge dichtheid, sociale inclusiviteit, multimodaal vervoer en digitale vernetwerking zijn niet alleen relevant voor grote steden, zoals zichtbaar in het nieuwe masterplan voor Shanghai 2035, maar spelen overal een rol. Herkenbaar in de campus-achtige mixed-use kennishubs die overal in en rondom de grote steden ontwikkeld worden, herkenbaar ook in de kleinschaligere feature towns (kleine mooie stadjes) zoals die nu door heel China ontwikkeld worden, en herkenbaar in de investeringsprogramma’s voor het slimme platteland die de komende 10 jaar heel belangrijk zullen gaan worden om het dreigende “urban/rural divide” in China te kunnen beheersen.

Wie recentelijk in Guangzhou, Shenzhen of Shanghai geweest is, heeft gezien dat de stedelijke samenlevingen in China zich op een kantelpunt bevinden van “navolgen van” naar “voortuitlopen op”, wat in het westen als modern beschouwd wordt. Zou het zo kunnen zijn dat over tien of twintig jaar de Chinese steden symbool staan voor het cognitieve kapitalisme, zoals Amsterdam voor het koopmanskapitalisme en Engeland voor het industriële kapitalisme? Het is zeker mogelijk, het is ook wel waarschijnlijk, maar is het ook wenselijk? Ik denk dat daarover op verschillende werelddelen verschillend wordt gedacht.