De Chinese droom. Zo noemt de regering van Xi Jing Ping de economische ontwikkeling van China. Steeds meer westerlingen trekken naar het oosten, om van deze droom mee te kunnen profiteren. Vaak zonder er bij stil te staan hoe lastig het kan zijn om iets voor elkaar te krijgen, in een cultuur die op allerlei fronten verschilt van de onze. Willem Jan de Hek werkt als architect bij een Chinees vastgoedbedrijf. Verslag van een werkdag in Changsha.

Taxi

Als ik om half negen de lobby van het hotel binnenkom, zit mijn collega White al te wachten. Eigenlijk heet hij BaiHua, maar vorig jaar heeft hij daarnaast een westerse naam aangenomen. We hebben een vergadering gepland staan met een lokaal ontwerpinstituut, om het ontwerp voor een openbaar plein uit het slop te trekken. Een project dat ooit ambitieus begonnen is, maar van die ambitie is na twee jaar ontwerpen nog maar weinig over. De lokale designinstituten zijn een fenomeen in China. Ze fungeren als uitwerkarchitect, maar omdat ze de enige instantie zijn die tekeningen kunnen indienen bij de overheid, hebben ze bijzonder veel invloed in het ontwerpproces.

We lopen het hotel uit om een taxi te nemen, en gelukkig staat er al één met de deur open te wachten. Op de voorstoelen liggen twee Chinezen languit achterover een tukje te doen. White praat met ze en vraagt of ze ons weg willen brengen. Helaas zonder resultaat. Ze willen ons alleen naar het vliegveld brengen, een veel langer ritje. En deze taxichauffeurs blijken niet de enige met dit idee. Iedere keer als er een taxi aankomt, gaat White midden op de weg staan en brengt hem tot stilstand. Tevergeefs, het ritje is blijkbaar niet de moeite waard.

Ik vraag aan White waarom de architecten van het instituut niet naar óns kunnen komen, in plaats van dat wij naar hén toe gaan. Ons kantoor ligt immers op loopafstand van het hotel, we hebben voldoende vergaderruimte, en bovendien zijn wij de klant. White begrijpt niet zo goed wat ik bedoel, en denkt dat ik om een auto met chauffeur vraag. Maar na het nodige handen- en voetenwerk wordt het duidelijk. White pakt zijn iPhone en begint te bellen. Laten we naar het kantoor lopen, wenkt hij met zijn andere hand. We gaan onderweg en klimmen een glibberige voetgangersbrug op, om een tienbaansweg over te steken.

Koffie

Een kwartier later zitten we in het kantoor van ons lokale team. Het is eigenlijk een appartement, op de zeventiende verdieping van een woontoren. White’s collega’s zijn een beetje geschrokken dat ik plotseling op ben komen dagen, en lopen wat nerveus heen en weer. Of ik een glaasje water wil? Ik vraag om een kopje koffie, maar dat hebben ze niet. Wel zwarte thee. White maakt de vergadertafel schoon met een nat lapje, en we krijgen een schaal kersen. Ik pak mijn tekeningen erbij en de vergadering kan beginnen.

In afwachting van de anderen, bespreken we de plannen en schetsen een aantal alternatieven. Het valt me weer op hoeveel macht de lokale overheid hier heeft. Alles is mogelijk zolang het Planning Bureau er maar goedkeuring aan zal verlenen. En dat blijkt dan weer minder eenvoudig te zijn. Ik vraag of we een luifel een halve meter hoger kunnen plaatsen. White kan niets beloven, dat moet eerst aan het Planning Bureau worden voorgelegd. En zullen we deze roltrap aan de rechter- of aan de linkerkant van de trappartij positioneren? White weet het niet, dat zal zijn baas toch echt eerst met het Planning Bureau moeten overleggen. Ondertussen komt iemand de vergaderkamer binnen, om de verdorde orchidee op tafel te vervangen voor een vers exemplaar.

Ik vraag waar de architecten van het designinstituut blijven. White zegt dat hij dat niet weet. Maar hij had hen eerder deze ochtend toch gebeld? Hij grijpt opnieuw naar zijn iPhone, praat een paar minuten met iemand aan de andere kant van de lijn, hangt dan op, en zegt dat de mensen van het instituut rond drie uur bij ons op kantoor zullen zijn. We hebben dus nog even.

Ik stel voor dat we op zoek gaan naar een kop koffie. Geen probleem, zegt White. We nemen de lift naar beneden en lopen naar een Pacific Coffee op steenworp afstand. Maar helaas, deze blijkt sinds kort gesloten. En als we naar binnen kijken kunnen we zien dat hij voorlopig niet meer opengaat ook. De winkel ligt vol puin, waarschijnlijk één van de vele voorbeelden van winkels is China die failliet zijn gegaan vanwege de hoge huren. Geen nood, zegt White, aan de overkant van de straat is een Starbucks.

We steken de straat over, en gaan de winkel binnen. White praat wat met de verkoper, en begint dan heel hard te lachen. Ze hebben geen koffie vandaag, zegt hij. De waterleiding is gebroken, en dus verkopen ze de rest van de week alleen koffiepoeder. We lopen teleurgesteld de winkel uit, maar gelukkig zit er even verderop een McDonalds. De meest betrouwbare fastfoodketen van China, als je het recente voedselschandaal in Shanghai even weg denkt. Ze hebben er in ieder geval lekkere koffie.

Groen dak

We besluiten voor lunchtijd een rondje door een recentelijk geopend winkelcentrum in Changsha te lopen. Volgens White het beste winkelcentrum van de stad, dat ook nog eens voorzien is van een “groen dak”. Daar ben ik eigenlijk best benieuwd naar. Veel projecten in China worden met zo’n groen dak ontworpen, het ultieme symbool voor duurzaamheid en het ontwikkelen met oog voor de publieke ruimte. Vastgoedbedrijven willen uitstralen dat ze niet alleen ruimte némen, maar ook ruimte géven: aan de stad en aan haar inwoners.

Na een aantal vergeefse pogingen het dak op te komen, lukt het eindelijk via één van de servicegangen. Op de brandtrap zit iemand een bak noodles te eten, en er hangt was te drogen. Een bordes hoger staan twee mensen een sigaret te roken. Het ruikt er een beetje zurig. Het groene dak is ontworpen door een heel bekende landschapsarchitect, zegt White. Eentje die ook een paar projecten in New York heeft gedaan. Ik ben benieuwd. Hoe kunnen de bezoekers van het winkelcentrum er eigenlijk komen? Ik vraag het met het oog op de nogal wonderlijke weg die wij moeten afleggen, om onze plaats van bestemming te bereiken. White haalt zijn schouders op.

Als we eindelijk boven zijn en het groene dak opstappen, valt het White toch ook een beetje tegen. Er staan vooral veel grote energie-installaties. Metershoge brommende ventilatoren, allerlei lekkende buizen en overal bordjes met gebruiksaanwijzingen. Maar groen is het wel: één en ander wordt afgeschermd met groen geverfd hekwerk, er liggen her en der groene houten panelen op de vloer, en er staan een paar bloembakken met wat uitgedroogde planten. Ook zijn er een aantal vreemd gevormde zitelementen te zien, overduidelijk met de beste intentie ontworpen, maar het ontbreekt vooralsnog aan gebruikers.

Het groene dak is eigenlijk wel een goede afspiegeling van de stad Changsha. Veel rommel, niets echt afgemaakt, bijna ieder plintje ligt los. Ik begin te begrijpen waarom de oorspronkelijke architect van het plein dat we gaan bespreken – toch één van de beste bureaus van Nederland met een wereldwijde staat van dienst – zijn handen van het project afgetrokken heeft. In Changsha iets moois maken? Dat lijkt niemand te lukken.

Rode enveloppe

Na de lunch is het tijd om naar het designinstituut te gaan. Volgens White gaat het hen bij nader inzien toch niet lukken om naar óns kantoor te komen. Gelukkig kunnen we meerijden met een vriend. De vergadering met het designinstituut verloopt gelukkig goed. White doet het woord, en stipt één voor één de problemen aan die we gesignaleerd hebben. Daarna presenteren we de oplossingen en laten we de schetsen zien die we eerder vandaag samen hebben gemaakt. Het is allemaal geen probleem om te verwerken, wordt ons verteld. Mits natuurlijk het Planning Bureau er ook mee akkoord gaat.

Op de terugweg vraag ik aan White wat we eraan kunnen doen om de overheid aan onze kant te krijgen. Hoe kunnen we ze overtuigen? Is het misschien een idee om een aantal aanvullende flitsende sfeerimpressies te maken? White haalt zijn schouders op. Eigenlijk zijn ze bij het Planning Bureau niet zo geïnteresseerd hoe het er allemaal uit komt te zien. Of ik weet hoe laag het salaris van een ambtenaar is in China? In plaats van een sfeerimpressie zien ze liever een rode enveloppe met inhoud. Ik kijk om me heen naar de chaos op straat, en een gevoel van moedeloosheid bekruipt me.

Op de terugweg in de hogesnelheidstrein naar Hong Kong, zit ik alles nog eens te overdenken, terwijl de trein met 300 kilometer per uur door het Chinese landschap raast. De trein is mudjevol, en in het gangpad zitten mijn medepassagiers op rode lage krukjes te kaarten. Als er iemand langskomt met een karretje met drankjes en hapjes, staan ze op en lopen naar een andere coupe. Ik vraag om een kop koffie. Het meisje begrijpt me – kijkt me aan – zegt geen nee maar ook geen ja – kijkt vervolgens wat onrustig om zich heen – en gaat dan snel verder. Ik heb er nooit meer wat van gehoord. Hopelijk heeft het werkoverleg in Changsha meer resultaat. Maar ik ben er niet helemaal zeker van. Misschien blijft het wel gewoon bij een Chinese Droom.