Reis door ChinaZondag 19 januari is de Dag van het Jodendom. Je zou het niet verwachten, maar er is een bijzondere geschiedenis van joden in China.

Bij geloof in China denk je allereerst aan boeddhisme, taoïsme en confucianisme. Misschien ook aan christenen of een moslimminderheid. Maar de meeste mensen zullen China niet snel met het jodendom in verband brengen.

Toch gaan bronnen terug tot de achtste eeuw. Uit brieven blijkt dat joodse handelaren via de Zijderoute in China geraken. Als Marco Polo in de 13e eeuw in Beijing komt, beschrijft hij de vooraanstaande positie van joodse handelaren.

Pas in de tweede helft van de 19e eeuw komt er de migratie naar China op gang, als westerse koloniale mogendheden China dwingen grenzen te openen en handel te bedrijven. Er komen dan joodse handelaren vanuit India en Irak naar Shanghai.

Begin 20ste eeuw is er sprake van een migratiegolf. Die begint in 1917 als Russische joden hun land ontvluchten voor de communistische revolutie. In de jaren ’30 doet zich dat opnieuw voor. Dit keer zijn het joden uit Duitsland, Polen en Oostenrijk die vluchten voor het fascisme.

Shanghai is een open stad en op dat moment een van de weinige plaatsen in de wereld waarvoor geen visum nodig is. De Chinese consul in Wenen, Ho Fengshan, deelde onder bedreigde joden Chinese paspoorten uit. Pas na zijn dood in 1997 werd zijn rol duidelijk. Ho redde zeker 1.200 joden het leven, maar volgens zijn dochter zijn het er misschien wel 4.000 geweest.

In 2001 werd hem als eerste Chinees postuum de titel Righteous among the Nations toegekend, waarmee Israël niet-joden eert die hun leven hebben gewaagd om joden te redden van de holocaust.

Begin jaren ’40 leven er meer dan 20.000 gevluchte joden in China. De Japanse bezetter laat ze met rust, ondanks oproepen van Duitsland de uit Europa gevluchte joden te vervolgen of uit te leveren. Wel worden de joden in 1943 gedwongen zich in de wijk Hongkou te vestigen, het getto van Shanghai. Volgens een anekdote vraagt de Japanse gouverneur van Shanghai aan een rabbi waarom de Duitsers zo’n hekel aan joden hebben. “Omdat we klein zijn en donker haar hebben”, zou rabbi Shimon Kalish hebben geantwoord. Daar kan de Japanner wel om lachen.

Na de oorlog keren veel joden huiswaarts, of ze emigreren naar de kersverse staat Israël. Sommigen blijven in China. Enkelen speelden een prominente rol in de beginjaren van de Volksrepubliek en worden –zeer uitzonderlijk- beloond voor hun inspanningen voor de partij met het Chinees staatsburgerschap.

De communistische partij moet onder Mao niets van welk geloof dan ook weten. Ook het jodendom gaat ondergronds. Pas in de jaren ’90 treedt er verbetering op. Tegenwoordig zijn er synagoges in Beijing, Shanghai en Hong Kong. In het Houshan Park herinnert een monument aan de gevluchte joden die gedurende de oorlog veiligheid in Shanghai vonden.

Afgelopen jaar trekt een bijzonder verhaal de aandacht van de Chinese media. De familie Lin blijkt al 70 jaar de boeken te bewaren van een joods gezin. In 1943 vroeg Carl Anger aan Lin Daozhi op zijn boeken te passen. Dat deed Lin zijn hele leven en na 1981 zijn dochter en schoonzoon. Ze piekerden er niet over zoveel jaar na de oorlog hun belofte te breken.

Maar nu Pan Lu en haar gezin moeten verhuizen omdat hun huis wordt gesloopt, doen ze nog een poging de nazaten van de Angers op te sporen. Verschillende organisaties in Duitsland en Israël worden ingeschakeld. Tot nu toe tevergeefs. Maar Pan Lu en haar man hopen nog steeds dat zich iemand voor de boeken meldt en kan vertellen hoe het de Angers is vergaan.