Milieuvervuiling in China is een onderwerp waar westerse media graag over schrijven. Het is ook een onderwerp waarover de gemiddelde westerling snel een mening klaar heeft. Ik heb in de afgelopen jaren enkele keren de fout gemaakt om me te mengen in discussies op nu.nl’s nujij forum, welke aan elkaar hangt van ongefundeerde meningen en ongenuanceerd populistische uitspraken.

Net als vele andere bloggers op china2025.nl heb ik zaken als luchtvervuiling en gebrekkige voedselveiligheid in China zelf in de praktijk meegemaakt. Maar ik weet ook dat de problematiek een stuk complexer is dan veel mensen beseffen en dat het hypocriet is de schuld enkel bij China neer te leggen. Daarom wil ik in twee artikelen graag een wat realistischer beeld neerzetten van de milieuproblematiek in China aan de hand van een boek dat ik in het land als geschenk ontving.

When a Billion Chinese Jump

In oktober 2011 ontmoette ik een oud-collega in Shanghai. Na een workshop die ik daar verzorgde gaf hij me bij ons afscheid een boek van Jonathan Watts met de titel ‘When a Billion Chinese Jump‘. Met bijna 500 pagina’s was het een afschrikwekkend monster en het onderwerp, de aanslag op het milieu in China, was op dat moment niet echt iets waar ik enorm in geïnteresseerd was. Maar toen ik er uiteindelijk aan begon werd ik er al snel volledig ingezogen.

In het boek vertelt journalist Jonathan Watts in 16 hoofdstukken hoe het gesteld is met het milieu in China en wat de impact van de economische ontwikkeling is. Hij reist door 22 provincies en wisselt goed onderbouwde feiten – het boek bevat ruim 60 pagina’s aan eindnoten – af met persoonlijke verhalen van wetenschappers, benadeelde boeren, dissidenten en beroemdheden. Deze combinatie geeft het geheel een ‘personal touch’ en maakt het enorm boeiend.

When a Billion Chinese JumpElk hoofdstuk opnieuw legt Watts in een andere provincie de pijnlijke realiteit bloot. Maar hij doet het op een eerlijke en objectieve manier. Het is te gemakkelijk om met het vingertje naar China te wijzen als de grote vervuiler. Per hoofd van de bevolking heeft de US echter een CO2-uitstoot die twee keer die van China is.

Het huidige vijfjarenplan van de Chinese regering staat bovendien vol met ambitieuze plannen om de vervuiling terug te dringen. China is tevens het land dat het meeste onderzoek doet naar alternatieve energiebronnen en de plannen om delen van het land om te toveren in enorme parken met windmolens en zeeën van zonnepanelen zouden in geen enkel ander land uitvoerbaar zijn.

Ook is er veel te zeggen voor het feit dat de ‘eerste wereld’ twee eeuwen lang deze planeet heeft vervuild en ontwikkelende landen niet het recht kan ontnemen om diezelfde industriële revolutie door te gaan. Het feit die revolutie in China in sneltreinvaart gaat betekent niet alleen dat de vervuiling schrikbarende vormen aanneemt en aan zal nemen (de piek in CO2-uitstoot verwacht Watts pas over enkele decennia) maar ook veel sneller in de fase zal komen waarbij de stap naar schone energie gemaakt kan worden.

Hypocriet

En er is nog een reden waarom wijzen met het vingertje naar China hypocriet is. Europa en de US hebben een groot deel van de productie van consumptiegoederen verlegd naar lage lonenlanden als China. De oostkust van China is de fabriek van de wereld geworden. Wat veel mensen echter niet weten is dat na gebruik in het westen een hoop van deze materialen terugkeren naar China.

Iemand kwam namelijk ooit op het ‘briljante’ idee dat al die vrachtschepen met consumptiegoederen leeg terug naar China gingen en dat er iets gedaan moest worden met deze inefficiëntie. Waarom zouden we die schepen niet vullen met afval voor verwerking in China? En zo kwam het dat oost-China na fabriek ook de vuilnisbelt van de wereld werd; een plaats waar in slechte werkomstandigheden plastic werd gerecycled en computers met giftige onderdelen uit elkaar werden gehaald.

Veel westerse landen kloppen zichzelf op de borst omdat ze hun CO2-uitstoot sterk hebben verminderd, maar als er gekeken wordt naar de consumptie in een land in plaats van de productie zien we een heel ander plaatje. Tel de CO2-uitstoot van de in China geproduceerde artikelen erbij op en de meeste landen hebben een zwaardere ‘footprint’ dan ooit tevoren.

Datzelfde geldt overigens ook voor China. Hoewel er gepronkt wordt met een constante economische groei van +10% (of 7,5% de laatste tijd) ziet het plaatje er heel anders uit als je de kosten van de vervuiling meetelt. De Wereldbank heeft de kosten van vervuiling in China geschat op 5,8% van zijn Bruto Nationaal Product. Na aftrek van deze kosten is de economische groei in China nauwelijks beter dan die in Europa en de US.

En volgens sommigen is de schatting van de Milieuproblematiek in ChinaWereldbank conservatief. Als je de ziektekosten, verloren manuren, 700.000 mensen die vroegtijdig overlijden en de schade aan oogsten en infrastructuur meerekent en daarbij de kosten van erosie, woestijnvorming, onvruchtbaar geworden grond en aftakeling van het milieu optelt stijgt het percentage tot 8 – 12% van het BNP, waarmee China uiteindelijk in de min uitkomt.

In deel twee van dit artikel lezen we hoe alternatieven moeilijk van de grond komen, wat historisch gezien de relatie van Chinezen is met de natuur en welke problemen watertekorten met zich meebrengen.