Dinsdag 19 augustus is de internationale dag van de humanitaire hulp. China heeft veel ervaring met catastrofes, maar het is pas sinds kort dat de rampenbestrijding en de communicatie daarover is geprofessionaliseerd.

Twee recente rampen hebben de manier waarop de Chinese rampenbestrijding functioneert volledig veranderd. Op 12 mei 2008 was er een aardbeving met een kracht van 8,0 op de Schaal van Richter in de provincie Sichuan, waarbij 70.000 doden vielen. Hoewel de hulpverlening snel op gang kwam, was er veel kritiek op de manier waarop openbare gebouwen in het seismisch kwetsbare gebied, zoals scholen waren geconstrueerd. De autoriteiten reageerden door de censors aan het werk te zetten en criticasters aan te pakken.

Op 23 juli 2011 botsten twee hogesnelheidstreinen bij Wenzhou. Daarbij kwamen zeker 40 mensen om het leven. Het ongeluk met China’s hightech-wonder bracht de autoriteiten zo in verlegenheid, dat ze alles deden om het ongeluk te doen vergeten, inclusief een poging de wrakstukken te begraven.

Deze rampen hebben de Chinese overheid in ieder geval één ding geleerd: in het internettijdperk hebben ze de publieke opinie niet meer volledig in de hand. De stortvloed van foto’s, ooggetuigenverslagen en kritische vragen waren niet te stoppen.

China’s leiders hadden feilloos door dat ze grote tegenslag niet meer onder het tapijt kunnen vegen en dat autoriteiten door de publieke opinie de maat zou worden genomen bij toekomstige rampen. Het bestuur heeft zichzelf gedwongen sneller te reageren, veel middelen in te zetten en openheid te geven. Lokale autoriteiten die met een grote ramp worden geconfronteerd staan onder grote druk om die verwachtingen waar te maken. Als ze onvoorbereid zijn of falen, wachten disciplinaire maatregelen en mogelijk zelfs de rechtbank.

De aardbeving in Sichuan legde nog iets anders bloot: het wantrouwen bij de bevolking ten opzichte van de overheid en daaraan verbonden instellingen zoals het Chinese Rode Kruis.

Bij grote rampen stromen vrijwilligers toe. Liever delen ze ter plekke geld en meegebrachte hulpgoederen aan slachtoffers uit, dan dat ze geld doneren aan officiële hulporganisaties. Want die associëren veel mensen met een grote overhead, corruptie en inefficiëntie. Met name het Chinese Rode Kruis is de gebeten hond, na een schandaal met Guo Meimei, die zich in 2011 ten onrechte voordeed als medewerkster. De jongedame had op haar site gezet dat zij in dienst was bij de hulporganisatie, maar plaatste ook privé-foto’s van haar exclusieve levensstijl. Chinese internetgebruikers wisten genoeg; dat gebeurde er dus met hulpgeld! Nieuwe private liefdadigheidsorganisaties zagen het licht, zoals The One Foundation van filmmaker Jet Li. Het publiek heeft er meer vertrouwen in dat zij hulpgeld wel goed besteden dan in de officiële hulporganisaties.

Naarmate China’s economie groeit, groeit ook zijn rol op het wereldtoneel. De Chinese overheid is onwennig met de nieuwe situatie, maar is ondanks maatschappelijke problemen binnen de eigen grenzen steeds vaker bereid de allerarmste landen te helpen.

In juli verscheen een witboek over de Chinese ontwikkelingshulp. In de periode 2010-2012 hebben 121 landen en internationale organisaties ontwikkelingshulp uit China ontvangen. De hulp is opgebouwd uit giften, (deels rentevrije) leningen en het kwijtschelden van leningen. Wat opvalt is dat de Chinese hulp vooral terecht komt bij de armste landen ter wereld. Het leeuwendeel is gericht op praktische ontwikkeling voor de bevolking, zoals de bouw van scholen, ziekenhuizen, salarissen voor leraren of opleidingen voor ingenieurs. Dertig landen ontvingen noodhulp bij natuurrampen; in totaal 1,5 miljard yuan (180 miljoen euro).

Criticasters zeggen dat China buitenlandse hulp inzet als diplomatiek middel, soft power. Dat moge zo zijn, maar de onbeholpen manier waarop het de Filipijnen te hulp schoot na de tyfoon Haiyan geeft het ongemak weer met China’s nieuwe status als supermacht.

China doneerde in eerste instantie éénhumanitaire hulp in china miljoen yuan noodhulp (120.000 euro) aan het land waarmee het een gespannen relatie heeft vanwege een dispuut over zeggenschap over de Zuidchinese-Zee. Na binnen- en buitenlandse kritiek haastte de overheid zich een paar dagen later dat bedrag te vertienvoudigen. Chinese internetgebruikers waren verdeeld over de kwestie. Sommige vroegen zich af waarom China de vijandelijke Filipijnen zou moeten helpen. Maar velen meenden dat politiek en noodhulp niets met elkaar te maken hebben. Een enkeling noemde de bescheiden noodhulp een gemiste kans voor China om richting de Filipijnen een gebaar te maken.

 

De Reis door China in 48 Dagen gaat verder op vrijdag 29 augustus: de internationale dag tegen nucleaire tests.