Maandag 28 juli is de Internationale dag van de natuurbescherming. De afgelopen decennia is de natuur in China grotendeels verwoest. Maar er lijkt een kentering bereikt.

Als de natuur ergens ter wereld zijn veerkracht heeft laten zien, dan is het wel in China. In de eerste decennia van de Volksrepubliek werd zwaar ingezet op autarkie. Om niet afhankelijk te zijn van het buitenland moest de binnenlandse voedselproductie omhoog. Dat was niet alleen bedoeld om de toen nog sterk groeiende bevolking te voeden, volgens Mao zou de export van landbouwproducten een snelle industrialisatie van China moeten bekostigen.

Om dat te bereiken werden slimme dingen gedaan, zoals de aanleg van dammen, reservoirs en irrigatiesytemen. Maar er werden ook domme dingen gedaan. Uit ideologische motieven werden bestaande structuren en eigendomsverhoudingen overhoop gehaald, waardoor de productie juist daalde. Om de doelstellingen toch te halen werden boeren eenvoudigweg uitgehongerd. Wie meer wil weten over de verschrikkelijke gevolgen van de Grote Sprong Voorwaarts moet maar eens De Tragiek van de Bevrijding van Frank Dikötter lezen.

Deze periode heeft ingrijpende gevolgen gehad voor het Chinese landschap. Om het landbouwareaal te vergroten, werden bossen gekapt, heuvels geëgaliseerd en waterstromen gekanaliseerd. Dit had erosie, landverschuivingen en verkleining van het leefgebied van wilde dieren tot gevolg.

Hoe ver men de natuur naar zijn hand dacht te kunnen zetten, bleek uit de campagne om de ‘vier pesten’ te bestrijden. Met grote ijver werd de bestrijding van mussen, vliegen, muskieten en ratten ter hand genomen, waarvan werd aangenomen dat zij ziekten overbrachten en parasiteerden op het werk van mensenhanden.

Maar je kunt niet straffeloos hele diersoorten uit het ecosysteem verwijderen. De mus mag dan weleens een graankorreltje opeten, het dier eet vooral insecten. De bestrijding leidde tot enorme insectenplagen. Volgens de overlevering werden er in het grootste geheim 200.000 mussen in Rusland besteld, nadat China’s leiders hun vergissing inzagen.

Een echte sprong voorwaarts werd na Mao’s dood gemaakt, met de Open Deur-politiek. Massale urbanisatie en industrialisatie hebben China tot een economische grootmacht gemaakt die het leven van zijn burgers ingrijpend heeft verbeterd.

Natuur wijkt voor megasteden

Ook deze verandering kwam niet zonder nadelen voor de leefomgeving. Om ruimte te maken voor megasteden moest landbouwgrond wijken. Om dat te compenseren werd nog meer natuur in cultuurgrond omgezet. Bossen werden gekapt om te dienen als bouwmateriaal, brandstof of grondstof voor de industrie. Rivieren, meren en moerassen drogen op door overbepomping. Ongecontroleerde vervuiling vergiftigt de lucht, grond en het oppervlaktewater.

Echte natuur vind je in China alleen nog in dunbevolkte en onherbergzame gebieden. In grote delen van China zie je nergens een boom van enige omvang; of hij moet scheefgegroeid zijn en dus ongeschikt om planken van te maken.

Door verstoring, vervuiling en verkleining van leefgebied hebben veel planten- en diersoorten het moeilijk. De Yangtze bruinvis is zo goed als zeker uitgestorven. Er leven nog maar een twintigtal Siberische tijgers in China; te weinig voor een levensvatbare populatie. De voortbestaan van de reuzenpanda, het nationale symbool van China, kan alleen met kunst- en vliegwerk worden gegarandeerd. Wie weleens een fokcentrum heeft bezocht krijgt de indruk dat de dieren het zelf al hebben opgegeven.

Het goede nieuws is dat de Chinese overheid overtuigd is geraakt dat het zo niet verder kan. Milieuactivisten die niet zo lang geleden werden weggezet als lastpakken, krijgen steeds vaker gehoor. Iedere Chinees ervaart dagelijks hoe de lucht die hij inademt is vergiftigd. De maatschappelijke weerstand is niet langer te negeren. Inmiddels steekt de overheid geld in natuurbeheer. Er zijn 2.150 stukken land als natuurgebied aangewezen; samen goed voor 13 procent van het totale oppervlak in China.

Bosbouw is aan banden gelegd en er is een herbebossingsprogramma opgezet. Miljarden bomen zijn sinds 1999 geplant in het kader van het landbouwgrond-tot-bosbeleid. Boeren krijgen subsidie om grond met een relatief lage opbrengst, zoals woestijngrond of steile hellingen, met bomen te beplanten. Het beleid is een succes; 124 miljoen boeren doen mee en 9,3 miljoen hectare werd nieuw bos.

Miljarden yuans zijn gestoken in fokprogramma’s. En de Chinese politie trad vorig jaar meer dan 10.000 keer op tegen stroperij en de handel in bedreigde diersoorten of producten daarvan. Het slechte nieuws is dat China de geleerde lessen niet exporteert. De Chinese behoefte aan hout zorgt tegenwoordig nog steeds voor ontbossing, maar dan in Burma en Rusland.

De Reis door China in 48 Dagen gaat verder op zaterdag 9 augustus: de dag van de inheemse volkereren.