Toen ik in China woonde werd Tea Leaf Nation al snel een van mijn favoriete websites. De inmiddels door Foreign Policy ingelijfde site publiceerde regelmatig diepgravende interessante artikelen en positioneerde zich met de slogan ‘decoding Chinese media’. Vanuit dat perspectief publiceerde ze ook veel over het Chinese internet en de internetcensuur, onderwerpen die ik op de voet volgde. Liz Carter, de schrijfster van Let 100 Voices Speak, was enige tijd hoofdredacteur van Tea Leaf Nation en schreef diverse artikelen voor de website. Carter was tevens coauteur van The Grass-Mud Horse Lexicon, een boek waarin Chinese online codenamen en ‘internet slang’ worden uitgelegd.

Let 100 Voices SpeakMet Let 100 Voices Speak: How the Internet is Transforming China and Changing Everything levert Carter een boek af over een onderwerp dat door vele mensen, waaronder ikzelf, uitvoerig besproken is: China’s internet, social media en online censuur. Dit is voor zover ik weet de eerste keer dat er een niet- academische publicatie over het onderwerp verschijnt waarin de ontwikkelingen in de afgelopen zeven jaar worden gepresenteerd.

Carter beschrijft in haar boek met name de periode 2011-2014 en de opkomst en ondergang van social media als uitlaatklep voor de opinie van het Chinese volk. Het boek begint met het ongeluk met de hogesnelheidstrein bij Wenzhou. Het was de eerste keer dat het Chinese volk op social media met enorme afkeuring reageerde op de manier waarop de overheid deze ramp in de doofpot probeerde te stoppen. In de hoofdstukken erna vertelt Carter over de diverse manieren waarop het volk het internet inzette om haar mening te uiten of haar recht te halen en hoe de overheid uiteindelijk in 2013 ingreep en door een ‘crackdown’ op geruchten de macht weer naar zich toetrok. We lezen ook over fenomenen als de human flesh search, waarbij netizens het net afspeuren naar de identiteit en corrupte daden van (lokale) overheidsambtenaren. We leren de manieren waarop netizens met codenamen en slimme streken proberen de censuur te omzeilen. We maken kennis met een reeks online activisten en hun strijd voor gerechtigheid en verschillende ideologische stromingen op het Chinese internet. En meer, veel meer. Allemaal bijzonder interessante onderwerpen waar ik zelf voor China2025 en andere publicaties ook regelmatig over geschreven heb.

Het boek is vlot en plezierig geschreven met een duidelijke bewondering voor de Chinese netizens en online activisten. Let 100 Voices Speak bevat ook een uitgebreide lijst met referenties en eindnoten. Normaal gesproken niet het meest interessante deel van een boek, maar aangezien het merendeel van deze referenties online artikelen betreft geeft het de lezer die nog meer achtergrondinformatie wenst een schat aan extra leesvoer. Op een e-reader of tablet kan er direct doorgeklikt worden naar het betreffende artikel.

So far so good. Is er ook nog iets aan te merken op het boek? Niet heel veel, maar ik heb toch enkele punten. Allereerst vind ik zowel de toon van de titel als de hoopvolle afsluiting van het boek niet erg realistisch, tenminste niet op korte termijn. In het boek wordt uitgebreid beschreven hoe onder Xi Jinping de censuur strenger is geworden en de wil en durf van het volk om zich online kritisch te uiten als sneeuw voor de zon is verdwenen. Uit recente ontwikkelingen die Carter niet meer bespreekt in haar boek blijkt dat de Communistische Partij voorlopig nog geen andere koers zal gaan varen, integendeel. Toch sluit Carter haar boek af met de conclusie dat de Chinezen steeds bedrevener zullen worden in de manier waarop ze het internet inzetten en de overheid uiteindelijk gedwongen zal worden om mee te veranderen. Dat was ook mijn conclusie in 2012 toen ik mijn eerste artikel over China’s microblogs schreef. Nu zou ik dat zelf niet meer durven te beweren. Ook Carter’s boek zelf lijkt eerder het tegendeel te bewijzen.

Een ander gemis in het boek vind ik dat de tekst redelijk gedateerd is. Het boek werd gepubliceerd in september 2015, maar de meest recente gebeurtenissen dateren uit mid 2014. Daardoor mis ik een aantal belangrijke zaken zoals bijvoorbeeld de plotselinge censuur rondom Chai Jing’s documentaire Under The Dome. Ook ligt de nadruk in het boek, ondanks dat de subtitel van het boek spreekt over het bredere ‘internet’,  sterk op microblog Sina Weibo maar komt censuur op de chat-app WeChat nauwelijks aan bod, terwijl er wel een belangrijke migratie heeft plaatsgevonden van Weibo naar WeChat.

Carter gaat er in haar boek vanuit dat elke vorm van censuur door de overheid ongewenst is. Maar ze gaat daarmee voorbij aan de uitermate schadelijke vorm van geruchten en ‘black PR’ waar het Chinese internet tot eind 2013 vol van stond. Bij gebrek aan vertrouwen in de staatsmedia bouwden Chinezen een bijna blind vertrouwen in social media op, waar sluw misbruik van gemaakt werd door bureaus die tegen betaling de reputatie van bepaalde mensen en merken promootten of juist ten gronde wilden brengen. In de afgelopen jaren heeft Sina Weibo volgestaan met laster, leugens en gevaarlijke geruchten. Ook daar is de overheid tegen opgetreden, maar over die andere kant van het verhaal hoor ik Carter niet. Zelfs als we focussen op belangrijke voorvallen op Sina Weibo tot mid 2014 mis ik een aantal cruciale zaken, zoals het schandaal rondom Guo Mei Mei, de jongedame die met haar verzinsels het Chinese Rode Kruis een crisis bezorgde.

Ondanks deze onvolledigheden blijft Let 100 Voices Speak een echte aanrader voor mensen die het Chinese internet en de censuur door de overheid beter willen begrijpen. En voor lezers die deze ontwikkelingen allemaal van dichtbij hebben meegemaakt is het boek een feest van herkenning bij het lezen over alle schandalen en online perikelen van de afgelopen jaren.

Eindoordeel: 8/10