Vroeger, zeg tien, vijftien jaar geleden, was het leven als buitenlander in China eenvoudig en relatief aangenaam. Het land zat midden in een groeispurt, en de behoefte aan talent – of vermeend talent – was relatief groot. In die behoefte kon het land zelf moeilijk voorzien. En als het helemaal tegenzat, dan kon je als exotisch knuffeldier nog altijd Engels gaan doceren. Die tijden zijn voorbij.

Het aantal buitenlanders in China bedraagt vandaag 600.000, en tel daar bovenop honderdduizenden uit het buitenland teruggekeerde Chinezen: dat zijn de belangrijkste concurrenten voor buitenlanders, die er twintig jaren geleden niet waren. En de overheid past de regels aan bij die nieuwe realiteit. Vroeger kon je altijd wel een visum ritselen, als je werk had, of zelfs als je geen werk had; de regels zijn in 2013 zo aangescherpt dat je eigenlijk al werk moet hebben, voordat je een visum waarmee je kunt werken krijgt.

Niet alleen het exotische is van de buitenlander af, je zult met wel heel specifieke kennis en ervaring moeten komen om nog iets aan de Chinese arbeidsmarkt toe te kunnen voegen. Zelfs afgestudeerde ingenieurs of gediplomeerde leraren Engels hebben sinds een jaar problemen aan de bak te komen.

Journalistiek in China

Hoe anders was dat in mijn vakgebied, toen ik in de jaren negentig als buitenland-correspondent naar Shanghai vertrok. Ik had mijn beslissing genomen, zonder overmatige kennis van zaken, in een bijna romantische opwelling. Wel had ik enkele reizen naar China en de rest van Azië ondernomen, met veel collega’s gesproken en ervoor gezorgd dat ik wat opdrachtgevers achter de hand had. Maar het duurde toch wel een jaar of twee, drie, voordat ik voorzichtig ontdekte hoe de zaken precies in elkaar staken.

Allereerst hoorde ik bij een beschermde beroepsgroep van buitenlandcorrespondenten. De Chinese overheid was destijds heel terughoudend bij het verstrekken van visa aan journalisten. We werden als halve diplomaten beschouwd en concurrentie van Chinese journalisten was er niet. De journalistiek begon zich in China net voorzichtig te ontwikkelen, en zelfs onze Chinese assistenten mochten niet eens journalistiek werk doen. Dat was verboden.

Jonah M. Kessel, jonahkessel.com

Jonah M. Kessel, jonahkessel.com

Officieel waren we natuurlijk heel erg tegen de manier waarop de Chinese overheid de vrije pers aan banden legde, maar na een paar jaren realiseerde ik me dat het voor mij ook wel handig was dat de Chinese overheid de concurrentie buiten de deur hielden. Nederlandse media rekruteerden tot op dat moment hun China correspondenten vooral onder hen die al een paar jaar China-ervaring hadden, en al een journalistenvisum hadden.

Dat begon al in de tweede helft van de jaren negentig snel te veranderen. Allereerst begon zich een crisis in de media af te tekenen: steeds vaker haalden gevestigde media hun correspondenten uit de rest van de wereld waar posten werden gesloten, en stuurden ze naar China.

Elk jaar tegen lagere vergoedingen, dat wel. De Chinese regels voor journalisten versoepelden en steeds vaker was een briefje van een hoofdredacteur voldoende om in enkele maanden een journalistenvisum te krijgen.

De groeiende werkloosheid in Europa en de VS weerhield ook journalisten er niet van om met andere visa naar China af te reizen. Rond het jaar 2000 startten we de Shanghai Foreign Correspondents Club (nadat we jarenlang informeel en illegaal maandelijks bijeenkomsten belegd hadden), waarvan ik het eerste jaar de president was. Dat betekende ook dat ik een part-time baan had in het adviseren van journalisten die koffers aan het pakken waren voor China. “Thuisblijven,” was mijn advies. “Tenzij je Engels wil komen doceren.”

Bij Chinese staatsmedia (alle Chinese media zijn staatsmedia) hadden buitenlandse journalisten geen kans, tenzij ze Engelstalig waren en het Engels van hun Chinese collega’s wilden oppoetsen. Bij de groeiende hoeveelheid illegale Engelstalige publicaties verdienden ze aanvankelijk rond de 300 euro per maand, en later helemaal niets, omdat veel buitenlandse journalisten ook bereid waren gratis “stage” te komen lopen.

Ik runde in die tijd nog een dagelijkse nieuwsbrief voor de buitenlandse zakengemeenschap in China en heb nog ooit met de gedachte gespeeld om al die journalisten te laten betalen voor een stageplek. Dat hebben we uiteindelijk toch maar niet gedaan, al was het wel een aantrekkelijk markt.

Van droommarkt naar crisisgebied

Inmiddels mochten Chinese journalisten samen met hun buitenlandse stagiaires ook bij nieuwsdiensten als Reuters en AFP werken, en dat werden sweatshops waarvan de meeste bewoners overdag nooit meer het daglicht zagen. Genoeg om het laatste spoortje journalistieke romantiek te doen verdampen. Collega’s van gerenommeerde media overleefden vaak omdat ze een partner hadden met een degelijke baan.

De stijgende kosten in China had inmiddels het leven zoveel duurder gemaakt, dat overleven moeilijker was. Dat journalistenopleidingen wereldwijd steeds meer journalisten opleiden, terwijl de markt krimpt, is ook niet handig. Omdat ik wat meer contacten en ervaring had dan die arme nieuwkomers, kon ik het wat beter uitzingen. Met mijn klein mediabedrijfje, gesubsidieerde boeken en het adviseren van bedrijven kon ik het onvermijdelijke einde uitstellen.

Toen een collega voorstelde naast onze journalistieke activiteiten een sprekersbureau te beginnen, nu onder de naam China Speakers Bureau, had ik daar wel oren naar. Ik kon mijn bestaande netwerk goed gebruiken voor een nieuwe draai. Dat in die tijd, rond 2008, de financiele crisis toesloeg, hielp niet. Aanvankelijk stuurde nog elk dorp in Europa regelmatig een economische missie naar China, maar die markt was snel weg.

Jonah M. Kessel, jonahkessel.com

Jonah M. Kessel, jonahkessel.com

Voorlopig leven we van de Fortune-500 bedrijven, waardoor we onze relatief dure sprekers regelmatig opdrachten kunnen bezorgen. In de praktijk is het toch gemakkelijker opdrachten in Europa en de VS te krijgen, dan in China, ook al is onze focus voor onze sprekers wel China.

We hebben kantoren in Europa en de VS; een kantoor in Shanghai hebben we enkele jaren geleden gesloten. Die overgang van een droommarkt naar een crisisgebied was heel pregnant in de journalistiek. Maar in vrijwel geen enkele industrie maken nieuwkomers in China een kans, tenzij ze worden uitgezonden door een overheid of multinational waar ze al een baan hebben..

Het weerhoudt enthousiaste mensen er niet van om toch naar China te trekken. Architecten, leraren, ondernemers, internetdeskundigen, PR-adviseurs, en wat al niet meer hebben me de afgelopen jaren om advies gevraagd. Om nog maar te zwijgen van enthousiaste Amerikaanse professionele sprekers, die zich niet kunnen voorstellen dat de Chinezen niet op hen zitten te wachten.

Ik zie in de praktijk vooral buitenlandse onafhankelijke expats verdwijnen. Deels omdat de beroepskansen in China minder worden, en omdat door de stevige inflatie de kosten om te overleven snel oplopen. En meer nog, zeker voor hen met kinderen, is de dodelijke luchtvervuiling en het gevaar van het volgende voedselschandaal reden genoeg om hun heil buiten China te gaan zoeken.  Om nog maar te zwijgen van de gecensureerde internetverbindingen.

Een beetje hoop

In mijn tijd was de luchtvervuiling even groot, andere gevaren niet kleiner, en een internetverbinding, daarover lazen we alleen in de kranten. Maar toen waren de dodelijke effecten van de luchtvervuiling een staatsgeheim. Nu krijg je driemaal per dag een update via internet, met een risico-analyse. Weer een illusie minder. Is er dan helemaal geen hoop? Een klein beetje dan. Een kleine groep ervaren managers met China ervaring komt terecht bij Chinese bedrijven die de wereldmarkt op willen.

Bijvoorbeeld een Huawei, met 150.000 werknemers, werkzaam in 140 landen. Die nemen nog het liefst Chinezen aan, maar incidenteel ook veteranen uit de telecom, die bij hun eigen bedrijf zijn wegbezuinigd en op zoek zijn naar een tweede carriere. Een enkele Chinese top-universiteit lijkt ook nu en dan in staat buitenlandse docenten aan te trekken. Nu steeds meer Chinese bedrijven de wereldmarkt opgaan, zou zo’n tweede carriere wel eens een goed idee zijn. Ik moet daar zelf ook eens naar kijken.