Het is dinsdag 19 mei en ik zit met mijn rug tegen de kussens van mijn bed in Amsterdam Oud-West geleund. De vogels fluiten en de zon schijnt nog net naar binnen. Het is een prachtige dag, maar waarom voelt het dan niet zo?

Sinds de uitbraak van het Covid-19 ongeveer 3 maanden geleden, sloot ik mezelf op in quarantaine. Ver voordat de ernst van het virus in Nederland ècht bekend werd gemaakt. Wat volgens velen in Wuhan begon, verspreidde zich langzaam en bewoog zich na een maand toch al snel over de rest van de wereld. China en haar burgers kregen het zwaar te verduren.

Het stigma dat over het land heerst is helaas altijd al groot geweest, maar het virus was voor velen een excuus om meer racistische uitlatingen te maken. Niet alleen Chinezen werden hiervan de dupe, maar ook Koreanen, Vietnamezen en andere Oost-Aziatische broers en zussen. Er kwam een punt waar ik en mijn mede-genoten al snel niet meer veilig over straat konden zonder uitgescholden of aangevallen te worden. Niet alleen in Amerika, Australië of Frankrijk, maar ook in ons prachtige Nederland. Onmenselijk, eng, gevaarlijk, eigenaardig, maar vooral vies. Waarom is het zo dat wanneer men over Chinezen spreekt, het onmiddellijk een negatief gevoel losmaakt bij mensen?

Van veilig en rustig naar onbegrip

Ik weet nog dat ik opgroeide als klein meisje in Amsterdam. We vertrokken om gezinsredenen naar Almere Stad, en mijn ouders besloten uiteindelijk te verhuizen naar Alphen aan den Rijn om daar een eigen zaak te openen. Wat begon als een kleine Aziatische toko in een kleine stad breidde zich na achttien jaar uit tot een volwaardige supermarkt. Naast een Molukse wijk bestond de stad voornamelijk uit welvarende, witte Nederlanders met jonge gezinnen. Op het eerste oog prima; het voelde veilig en rustig. Veel groen en natuur – iets waar mijn ouders naar verlangden en ook geschikt vonden voor hun kinderen na de grote stad te hebben verlaten.

Al snel ervoer ik veel onbegrip. Wanneer je als enige Chinees in een klas komt waar van de rest binnen de norm valt, val je – licht gezegd – nogal op. Het gevoel van nooit ergens helemaal bij horen. Voor mijn ouders niet Chinees genoeg, en voor een ander niet genoeg Nederlands. Nooit goed genoeg zijn, maar altijd anders, uniek of apart. Mijn blonde vriendinnetjes hadden daar weinig last van. Hun naam werd namelijk wel altijd in één keer goed uitgesproken wanneer de juf de namen op las. Zij hoefden niet in hun vrije tijd te werken in de zaak of op zaterdag naar Chinese school of Kung-Fu les. Kregen geen huishoudelijke taken, maar wel kleedgeld en de nieuwste mobiele telefoon. De regels van de basisschool waren simpel: wanneer je welvarend en populair was, wilde iedereen vanzelfsprekend met je spelen.

Thuisgevoel in een wit systeem

Het gevoel van er niet bij horen versterkte met de jaren en al snel werd het tijd om de belangrijkere keuzes te maken in mijn leven. Waar ga je werken? De druk en verwachtingen die ik als kind ervoer om constant aan twee culturen te willen voldoen, zorgde ervoor dat ik mij niet kon richten op mijn schoolcijfers, maar vooral bezig was met overleven. Alle keuzes die ik maakte gingen niet alleen om mij en wat ik wilde, maar hadden effect op een veel groter aspect dat verder reikte dan het individualistische levenswijze die wij in Nederland kennen. De keuzes die wij maken hebben effect op hoe een ander een beeld vormt over Chinese Nederlanders, wat bijdraagt aan een hele community die deze niet los van elkaar zal – en kan zien.

Wanneer je jezelf niet terug ziet in het straatbeeld, televisie, media, de arbeidsmarkt, politiek of wel gezegd, posities van macht in ons structureel witte systeem, heeft dit invloed op hoe jij de wereld beleeft. Het niet kunnen identificeren met de mensen om je heen zorgt voor een blijvend gevoel van onbegrip en heeft bij mij geleid tot o.a. stress en depressie. In een tijd als deze wordt het steeds belangrijker om nog meer ruimte vrij te maken voor iedereen die behoort tot een gemarginaliseerde groep in Nederland. Zodat ook ik, me eindelijk thuis kan voelen.