Bron: 国家公祭网

Onze Nationale Dodenherdenking was uniek dit jaar. Nooit was de Dam zo leeg bij de jaarlijkse herdenking van Nederlandse oorlogsslachtoffers. Nooit eerder sprak het staatshoofd de natie toe bij deze sobere plechtigheid. Ook de inhoud van ’s Konings toespraak baarde opzien. Nooit eerder had een lid van het koningshuis zich openlijk afgevraagd of toenmalig koningin Wilhelmina, door haar afwezigheid en vermeende stilzwijgen, Nederlandse burgers niet in de steek had gelaten.

Op het eerste gezicht is het contrast met officiële herdenkingen in China groot. Daar komen meermaals per jaar tienduizenden mensen op de been om nationale martelaren te gedenken, spreekt de Chinese president volk en manschappen geregeld toe, en toont de partijstaat weinig tekenen van kritische zelfreflectie. Maar ondanks wezenlijke verschillen, zijn er ook opmerkelijke overeenkomsten in de lijnen waarlangs herdenking in beide landen plaatsvindt.

Collectief vergeten

Onze collectieve herinnering van de Tweede Wereldoorlog (WO2) kent vele blinde vlekken. Actief herdenken gaat nu eenmaal gepaard met grif vergeten. Maar juist waar het verleden als moreel ijkpunt dient voor de samenleving, is het zaak dat de scheidslijnen tussen herdenken en vergeten zuiver worden getrokken.

Collega-historicus Ethan Mark legt de vinger op de zere plek in een lezing die hij op 4 mei gaf in een leeg Leids auditorium. Aan de hand van ‘vergeten’ geschiedenissen legt hij uit hoe de in Nederland gangbare WO2-narratieven van ‘goed’ en ‘kwaad’, ‘vrijheid’ versus ‘onderdrukking’, en ‘democratie’ versus ‘dictatuur’ voorbij gaan aan de structurele uitsluiting, discriminatie en repressie waaraan Nederlandse koloniale ‘onderdanen’ vóór, tijdens en na de oorlog werden blootgesteld. Voor deze groep, aldus Mark, was het verzet tegen het fascisme slechts de helft van de strijd.

Wiens strijd, welk kwaad?

Dit inzicht is onontbeerlijk voor wie de Chinese herdenking van WO2 wil begrijpen. Want de ‘Verzetsoorlog van het Chinese volk tegen Japanse Agressie’ was, anders dan de benaming suggereert, een strijd die niet op één, maar op drie fronten tegelijk plaatsvond.

Allereerst was China’s oorlog, net als in Nederland, een strijd van nationaal zelfbehoud tegen een fascistische bezetter. Maar daarnaast streden de Chinezen, zij het minder uitgesproken, ook voor hun eigen onafhankelijkheid en tégen Westers imperialisme, een strijd die – in tegenstelling tot die van de Indonesiërs bijvoorbeeld – nog tijdens de oorlog zou worden beslecht. Tot slot maakten deze beide fronten deel uit van een groter strijdtoneel: de burgeroorlog tussen de Nationalisten (GMD) van Chiang Kai-shek en de Communisten (CCP) van Mao Zedong.

China’s oude oorlogshoofdstad

Na de Japanse invasie verplaatste Chiang’s Nationalistische regering haar zetel in 1938 tijdelijk landinwaarts naar de stad Chongqing. Zeven decennia later bezocht ik de oude oorlogshoofdstad op zoek naar sporen van familiehistorie. Nadien zou ik er nog vele malen terugkeren, en er zelfs een paar jaar met mijn vrouw neerstrijken. Bij dat eerste bezoek verbaasde ik mij over de moeite die het kostte de oude locatie terug te vinden van het ministerie van buitenlandse zaken van de Nationalistische regering, waar mijn grootvader en mijn oudoom tijdens de oorlog hadden gewerkt. De luttele beschikbare bronnen boden weinig houvast.

Pas na een bezoek aan het gemeentearchief en een telefoontje met de directeur van het historisch museum kwam ik op het juiste spoor. Maar ter plaatse wees niets op een oorlogsverleden. Op een oude plaquette viel te lezen dat het een beschermd monument betrof, waarin ooit de linkervleugel van het regionale GMD partijbestuur had gezeteld. Ondanks Chongqing’s trotse verleden als onneembare oorlogshoofdstad, liep de publieke ‘herinnering’ hier kennelijk niet langs patriottische, maar partij-ideologische lijnen.

Welwillende amnesie

Ditzelfde perspectief verklaart ook waarom Mao in 1972 tijdens een historisch bezoek van de Japanse premier Tanaka zou hebben opgemerkt, dat excuses voor Japanse oorlogsmisdaden overbodig waren. Had de Japanse bezetting niet de randvoorwaarden gecreëerd waaronder het heroïsche Chinese volk, geleid door de CCP, de bandieten van Chiang had kunnen verslaan?

Via deze revolutionaire logica zonk de oorlog met Japan tijdens de Maoïstische jaren geleidelijk weg in welwillende amnesie. Wanneer de oorlog tóch ter sprake kwam, werd deze niet geduid als een conflict tussen twee naties, maar als transnationale revolutionaire strijd tussen de verenigde progressieve krachten en een abjecte clique van Japanse militaristen, bijgestaan door Chinese collaborateurs en reactionairen.

Terugkerend trauma

Maar zoals elders voltrekt ook in China de oorlogsherdenking zich in fasen, voortgestuwd door bredere ontwikkelingen, krachten en ideeën. Binnen de door Deng Xiaoping ingeslagen koers, waarin een nieuw nationalisme het ideologisch deficit van de CCP moest dichten en de obsessie met economische groei moest stutten, werd de oorlog weer uit de vergetelheid gehaald.

Het keerpunt kwam in 1982, toen Japanse schoolboeken de invasie van China in eufemismen begonnen te verpakken. Beijing zette daarop fors in op patriottisch onderwijs, de constructie van oorlogsmonumenten (zoals de gedenkhal van het Bloedbad van Nanjing), en op wat historici omschrijven als getallenspel met slachtofferschap en excuus-diplomatie richting Japan.

Nationale emancipatie

Het nieuwe gedenken leidde tevens tot een zekere herwaardering van de rol van de Nationalisten, de oude aartsvijand, en een intensivering van contacten met Taiwan. Chiang Kai-shek werd niet meer klakkeloos weggezet als reactionaire bandiet. Zijn voormalige residenties in Chongqing werden gerestaureerd en openden geleidelijk hun deuren voor overzeese ‘patriotten’.

Dit bood ook ruimte om de succesvolle oorlogsdiplomatie van de Nationalisten onder ogen te zien. Per slot van rekening was Chiang’s China tijdens de oorlog opgeklommen van ‘semi-kolonie’ en speelbal der grootmachten tot gelijkwaardige geallieerde mogendheid, behorend tot de Grote Vier, en had het de ongelijke verdragen weten te beëindigen.

Nederland en China

Op 29 mei 1945, vandaag precies 75 jaar geleden, sloten Nederland en China een nieuw, ‘gelijk’ verdrag. Dit traktaat verving het bilaterale Verdrag van Tianjin van 1863 en bracht daarmee een einde aan de politieke, juridische, economische en zelfs militaire privileges waarop Nederland in China binnen het vooroorlogse ‘semi-koloniale’ systeem aanspraak kon maken.

Welbeschouwd markeerde de oorlog dus China’s geboorte als moderne, soevereine staat. Haar nationale autonomie herwon zij niet zozeer door tégen de imperialistische mogendheden te strijden, maar zij-aan-zij mét hen tegen de Asmogendheden. Hier komt Marks inzicht weer de hoek om kijken: voor veel deelnemers aan WO2 was het fascisme niet de enige vijand.

Van trauma naar triomf

Maar ook in China wordt dit aspect vandaag de dag nauwelijks belicht. In juli 2015 riep Xi Jinping historici om drie zaken te verduidelijken: het ‘grote belang’ van de Chinese verzetsoorlog; de ‘belangrijke plaats’ ervan in de mondiale strijd tegen het fascisme; en de ‘sleutelrol’ van de CCP in het behalen van de overwinning. Een meervoudig perspectief, waarin de bovengenoemde lijnen samenvloeien.

Kort hierop, bij het 70-jarig jubilieum van de Japanse capitulatie, sprak Xi vanaf het Tiananmen-rostrum de natie toe onder het toeziend oog van de wereld. Het werd een lofzang op de overwinning, met nog weinig oog voor slachtofferschap. Een zekere geruststelling moest daarvan uitgaan: China had toen aan de ‘goede kant’ gestaan, en stelt ook nu geen belang in het omverwerpen van een wereldorde waarvoor, volgens Xi, 35 miljoen Chinezen hun leven gaven. Maar er lag ook een waarschuwing in besloten: niets of niemand mag China ervan weerhouden de nog onvervulde strijddoelen te realiseren. De eindstreep is in zicht. Triomf is onvermijdelijk.

Onvergeten

Intussen wordt in Chongqing het oude ministerie van buitenlandse zaken gerestaureerd. Op de plek waar de Nederlandse ambassadeur en de Chinese minister in december 1945 de ratificatie-oorkonden van het nieuwe verdrag uitwisselden, staat sinds 2013 een nieuwe plaquette: ‘Voormalige locatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Nationalistische overheid’.

Eens vergeten, is niet altijd vergeten.